de franse vlag


de engelse vlag
kledij van tinnegieter

Kledij van een tinnegieter.
Prent uit Parijs
Modegravuur gemaakt door
Nicolaas II de Larmessin
1695


De Tinnegieter, het menselijk bedrijf.
Amsterdam.
Joannes en Caspares Luiken
1641

kannegieter

Houtsnede "De Kannegieter"
Frankfurt
Jost Amman
1568

Startpagina   Geschiedenis

Inleiding

Tin is een metaal dat al meer dan 5000 jaar gekend is. Onze voorouders hadden ervaren dat door het samenvoegen van tin en koper men een hard materiaal bekwam dat uitstekend geschikt was voor het vervaardigen van wapens en allerlei gereedschappen. Dit materiaal is het door iedereen gekende brons, een legering waarvan de naam vereeuwigd is in de “bronstijd” (in onze streken van  3000 v.C tot 800 v.C).

Erts

Tin ga je in de natuur nooit als zuiver metaal terugvinden maar altijd als mineraal. Het voornaamste tinhoudend mineraal is cassiteriet. Het tinerts is terug te vinden in granietachtig gesteente of in alluviale vorm. Het metaal wordt bereid door het erts met cokes te verhitten en na de verwijdering van alle onzuiverheden in blokken of staven te gieten.  Dit zuiver eindproduct (99,9% tin) werd dikwijls voorzien van een herkomstmerk.  Het  zuivere zilvergrijze tin heeft als scheikundig symbool  “Sn” (Stannum) en heeft een vrij laag smeltpunt: 232°C (ter vergelijking het smeltpunt van koper : 1083° C).

Vindplaatsen

Tinerts is over de hele wereld terug te vinden maar in de loop van de tijden werden bepaalde vindplaatsten belangrijker dan andere. Zo was het tin in onze streken lange tijd afkomstig uit Spanje, Frankrijk,  Duitsland en Engeland. Na de Romeinse tijd en tot ver in de 12e eeuw was vooral Zuid Engeland (Cornwall, Devon , …) de belangrijkste leverancier van tin. Ondanks de nieuwe vindplaatsen in oa Bohemen en Saksen bleef Engeland de koploper tot in de 19e eeuw.  De kolonisatie van nieuwe gebieden resulteerde vanaf de 18e eeuw ook in nieuwe vindplaatsen. De namen Banka en Billiton in Indonesië zullen u waarschijnlijk niet vreemd in de oren klinken.

Legeringen

Onze voorouders hadden al snel door dat het metaal smaakloos, reukloos en niet giftig was. Dat maakte het  uitstekend geschikt om er allerlei gebruiksvoorwerpen van te maken.  Vanaf de middeleeuwen tot in de 18e eeuw is tin de grondstof bij uitstek voor het vervaardigen van alle drink, eten en tafelgerei.
Helaas is zuiver tin veel te buigzaam en kneedbaar om er voorwerpen uit maken. Dit kon vermeden worden door toevoeging van kleine hoeveelheden ander metaal zoals bismut, antimoon,  koper en zelfs lood.
Het gebruik van het goedkopere en het giftige lood om het tin te breken was erg aantrekkelijk.
Ook de toenmalige overheden wisten dit en om onderlinge concurrentie te vermijden en  kopers  tegen bedrog te beschermen werden de samenstellingen van de te gebruiken legeringen in reglementen gegoten.  Deze reglementen of ordonnanties verschilden van stad tot  stad en werden in de loop der eeuwen verschillende malen aangepast.

De ambachten

Het was het gilde, een organisatie van personen met hetzelfde beroep,  van de stad die belast was met het opstellen van deze ordonnanties. Zo schreven zij oa voor dat de maker van een  tinnen voorwerp moest kunnen geïdentificeerd  worden. Dit gebeurde door het aanbrengen van goedgekeurde (en bij het Gilde gekende) merken op de te koop gestelde stukken.  Ook de samenstelling van de gebruikte legeringen was via deze merken terug te vinden. Regelmatig werden de tinnegieters door het Gilde gecontroleerd op de naleving van de geldende voorschriften.  Voldeden de stukken niet aan de verwachtingen dan werden zij vernietigd en werd de betrokken ambachtsman beboet.
Deze ambachten en dus ook het systeem  van verordeningen en controles  werden op het einde van de 18e eeuw  bij de Franse revolutie afgeschaft.  Uiteraard moeten in een samenleving afspraken gemaakt worden. Na de woelige periode volgend op de revolutie  werden de touwtjes door  de staat overgenomen en werden nieuwe regels utgevaardigd. Deze gingen echter wel nooit zo ver meer als tijdens het Ancien Regime.

De tinnegieter

Ook hier dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het “Ancien Régime” en de periode erna.
Zolang de ambachten bestonden kon je slechts tinnegieter worden als je aan welbepaalde voorwaarden voldeed. Tinnegieter kon je slechts worden na in de leer geweest te zijn bij een meester tinnegieter. Deze leerperiode kon van stad tot stad erg verschillen. Op het einde van zijn leerperiode diende de leerling een zogenaamde meestersproef af te leggen. Deze proef bestond erin om voor een jury een aantal welomschreven voorwerpen te maken. Pas dan en na het voldoen van een aantal financiele verplichtingen werd je meester in het ambacht.
Ook deze reglementeringen vervielen bij het opdoeken van de ambachten. Na de Franse Revolutie kon iedereen die het wou als tinnegieter door het leven gaan. Uiteraard was dit allemaal niet zo evident gezien hiervoor vrij hoge investeringen nodig waren.

Verval

Het verdwijnen van de Gilden is niet de teloorgang van het ambacht geweest. De nerwaartse trend was al een honderdtal jaren bezig. In de loop van de 18e eeuw wordt het gebruik van tin langzaam maar zeker  verdrongen door nieuwe materialen zoals keramiek, glas, steengoeud, porselein en dergelijke. Op het einde van de 19e eeuw bleef nog maar heel weinig over van het eens zo bloeiende ambacht. Eén voor één sloten de laatste ateliers defintief hun deuren en op de vooravond van de eerste wereldoorlog waren de echte tinnegieters nog slecht op één hand te tellen.

Recent tin

Na de tweede wereldoorlog  was er wel een kleine opflakkering door de toenemende interesse in onze geschiedenis. Dit was echter een vrij kortstondige opleving want in de jaren negentig van vorige eeuw was dit ook al definitief voorbij. De meeste tinnen voorwerpen dat in de periode na de eerste wereldoorlog werden vervaardigd waren fantasiestukken of copiën van authentieke antieke stukken die enkel en alleen met decoratieve bedoelingen op de markt werden gebracht.

Top van de pagina
Copyright © 2014 - Vlaamse Tinvereniging Disclaimer
PhiProWeb